Méér co-ouders recht op de IACK

Uit een uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat in meerdere situaties beide co-ouders recht hebben op inkomensafhankelijke combinatiekorting. Maar dat is allemaal nog niet zo eenvoudig. Wat speelt?

Wat is de IACK en wie kan er gebruik van maken?

De IACK, ofwel de inkomensafhankelijke combinatiekorting, is een heffingskorting voor ouders met jonge kinderen. Die heffingskorting kan aardig oplopen, maar er moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Kinderen jonger dan 12. De IACK wordt onder voorwaarden verstrekt aan ouders die kinderen hebben die op 1 januari van een bepaald kalenderjaar jonger zijn dan 12 jaar. Het betreft eigen kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen (waarvoor geen pleegvergoeding wordt ontvangen), geadopteerde kinderen en kinderen uit een eerdere relatie van de echtgenoot én kinderen van de fiscale partner. Het kind dient in het desbetreffende kalenderjaar minimaal 6 maanden ingeschreven te staan op het woonadres van één van beide ouders. Dus voor kinderen die ná 1 juli geboren zijn, geldt er voor dat kalenderjaar geen IACK.

Voorbeeld
Jantje is geboren op 15 augustus 2020 en de ouders van Jantje hebben in 2020 géén recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Pietje is geboren op 8 april 2020 en de ouders van Pietje hebben in 2020 wél recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Inkomenseis. Om in aanmerking te komen voor de IACK moet u alleenstaande ouder zijn óf de minstverdienende partner. U als aanvrager dient een inkomen uit loondienst te ontvangen dat in 2021 meer is dan € 5.153 óf u moet een onderneming hebben waarbij recht bestaat op zelfstandigenaftrek. Als u een partner heeft, dat moet uw inkomen lager zijn dan dat van uw partner. Oftewel: de IACK wordt verstrekt aan de partner met het laagste inkomen.

Hoe hoog is de IACK?

In 2021 bedraagt de IACK voor aanvragers die nog niet de AOW-leeftijd hebben bereikt 11,45% van het (arbeidsinkomen – € 5.153) met een maximum van € 2.815. Als u wel al de AOW-leeftijd heeft bereikt, is de IACK 5,926% van (arbeidsinkomen – € 5.153), met een maximum van € 1.458.

Voor het jaar 2021 is de maximale IACK verlaagd met € 66 tot € 2.815. De reden hiervoor is gelegen in een uitspraak van de Hoge Raad van maart 2020 waardoor meer co-ouders recht hebben op de IACK, maar hierover later meer.

Voorbeeld
Suzan van 36 is alleenstaande ouder en heeft een inkomen uit loondienst van € 15.000. Op 18 februari 2021 is Kitty geboren. Suzan heeft in 2021 recht op een IACK ter grootte van 11,45% x (€ 15.000 – € 5.153) = € 1.128.

Marleen is 28 jaar en gehuwd met Dirk van 30 jaar. Op 26 juni 2021 wordt Sofie geboren. Marleen is zelfstandig ondernemer met recht op zelfstandigenaftrek. Ze heeft een winst uit onderneming van € 38.500. Dirk heeft een inkomen uit loondienst van € 65.000. In 2021 heeft Marleen recht op een IACK van 11,45% x (€ 38.500 – € 5.153) = € 3.819 maar verminderd tot het maximale bedrag van € 2.815.

IACK en co-ouderschap

Bij een alleenstaande ouder of bij een minstverdienende partner is de regelgeving helder. Als er echter sprake is van twee personen die gescheiden zijn, dan is de materie een stuk complexer.

Zoals eerder gezegd moet het kind staan ingeschreven op het woonadres van de ouder. Bij gescheiden ouders kan het kind slechts op één adres ingeschreven staan; op het adres van de vader of het adres van de moeder. Dat zou betekenen dat slechts één van de ouders recht zou hebben op de IACK terwijl beide ouders toch de zorg hebben voor het kind.

Dit heeft de Belastingdienst ook onderkend en daarom was het mogelijk om als ouder waar het kind niet stond ingeschreven toch recht te hebben op de IACK. Hieraan waren wel zeer stringente voorwaarden verbonden. Door de uitspraak van de Hoge Raad zijn deze voorwaarden opgerekt en kunnen co-ouders eerder in aanmerking komen voor de IACK.

Wetgeving tót 13 maart 2020

Van een co-ouderschap in fiscale zin was sprake als het kind:

  • stond ingeschreven op het woonadres van de andere ouder;
  • doorgaans tenminste drie hele dagen per week bij de ene ouder woonde en tenminste drie hele dagen per week bij de andere ouder; óf
  • de éne week bij de ene ouder woonde en de andere week bij de andere ouder.

Als er sprake was van andere omgangsregelingen bestond er volgens de Belastingdienst voor de ouder waar het kind niet stond ingeschreven geen recht op de IACK.

Wat speelde er afgelopen jaar?

Bij een co-ouderschap was er sprake van de volgende omgangsregeling. Het kind was binnen een periode van twee weken vanaf de maandag eerst twee dagen bij de vader, dan twee dagen bij de moeder en vervolgens dan 4 dagen bij de vader en dan 6 dagen bij de moeder. Slechts één ouder had recht op de IACK.

De rechter. De vader stapte naar de rechter. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden wees het recht op de IACK voor de vader af. De vader was het echter niet met deze uitspraak eens en ging in cassatie bij de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland.

Uitspraak Hoge Raad. De Hoge Raad stelde de vader in het gelijk, want men was van mening dat als er sprake was van een zorgverdeling die min of meer gelijk is én waarbij de zorg in een duurzaam ritme is verdeeld, er wel recht bestaat op de IACK. Dit is ook aan de orde als de zorg in een ander ritme wordt verdeeld dan de 3 – 3,5 dag per week per huishouden zoals staat vermeld in de Wet Inkomstenbelasting.

Hoe nu verder?

In de uitspraak van de Hoge Raad worden de begrippen ‘gelijke zorg’ en ‘duurzaam ritme’ gehanteerd. Deze zijn echter voor meerderlei uitleg vatbaar en toekomstige rechtspraak zal er meer duidelijkheid over moeten geven.

Zoals in een procedure voor de Rechtbank Noord Nederland. In het ouderschapsplan was afgesproken dat de kinderen om de week een lang weekend bij vader verbleven. Vakanties en feestdagen werden 50/50 verdeeld. De kinderen stonden bij de moeder ingeschreven. In de procedure overlegde de vader een overzicht, ondertekend door hem en zijn ex-vrouw, waarin stond vermeld dat de kinderen gedurende het desbetreffende jaar 162 dagen bij de vader verbleven. De vader had volgens de Rechtbank recht op de IACK.

Hieruit blijkt wel dat het sowieso slim is om in het ouderschapsplan afspraken op te nemen waaruit blijkt dat de zorg gelijk verdeeld wordt én dat deze verdeling een duurzaam karakter heeft.

Met terugwerkende kracht

Inmiddels heeft de Belastingdienst op haar website een onderscheid aangebracht tussen de situatie tot 13 maart 2020 en vanaf 13 maart 2020: men blijft tot 13 maart 2020 vasthouden aan de strikte drie-dagen-eis. Maar daar is het laatste woord nog niet over gezegd. Dus:

  1. In 2020 volgens uitspraak Hoge Raad recht op IACK?
    Dien dan in de IB-aangifte over het jaar 2020 hiertoe een verzoek in.
  2. Voor situaties van voor 2020 recht op IACK en waren op 13 maart 2020 de aanslagen al definitief?
    Dien dan tót 5 jaar terug een ambtshalve verzoek in.
    Doe dit als een eerder verzoek is afgewezen én ook als u door de stringente voorwaarden niet eerder een verzoek had ingediend.

Gezien de starre houding van de Belastingdienst, is het echter onzeker of de teruggaaf zal worden verleend. Maar we verwachten wél dat er nog procedures over de terugwerkende kracht en de uitspraak van de Hoge Raad worden gestart.

BAA ADVIES. Is er sprake van co-ouderschap en heeft u in het ouderschapsplan een gelijke zorgverdeling opgenomen? Overweeg dan bezwaar aan te tekenen tegen nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen of dien een gecorrigeerde aangifte (tot 5 jaar terug) in. Wilt u daarbij begeleiding? Neem dan gerust contact met ons op.